De Test

Bij een lactaatmeting dient men een bepaalde afstand af te leggen, terwijl men de hartslag tussen bepaalde waarden houdt. Voor fietsen start men voor een tocht van 5 km, waarbij men er op let dat de hartslag bvb. tussen de 120 en de 125 slagen per minuut blijft. (De hartslagwaarden varieren van persoon tot persoon afhankelijk van de geschatte conditie)

Na 5 km komt men bij de inspanningsfysioloog langs, die een bloedstaaltje neemt via een prik in de vinger. De lactaatwaarde van het bloedstaal wordt bepaald en de proefpersoon vertrekt voor een nieuwe rit van 5 km, maar nu moet de hartslagfrequentie tussen de 130 en de 135 slagen per minuut gehouden worden. Na 5 km komt men opnieuw bij de inspanningsfysioloog, die opnieuw de lactaatwaarde bepaalt. Daarna vertrekt men opnieuw voor 5 km en houdt men de hartslag tussen de 140 en de 145.

Op die manier fietst men telkens 5 km, aan een steeds stijgende intensiteit. De bedoeling is dat de inspanningsfysioloog 5 tot 8 lactaatwaarden kan bepalen. Op die manier kan de verzuringscurve uitgetekend worden en kan de omslagpols (of overslagpols) bepaald worden. Deze overslagpols vormt dan de vertrekbasis om een individueel aangepast trainingsschema op te maken.

Voor lopen wordt hetzelfde principe gehanteerd, maar men meet de lactaatwaarde om de 1200 tot 2000m. De test wordt geanalyseerd door een inspanningsfysioloog. Hij bepaalt op basis van de testresultaten je huidige conditie en berekent hartslagzones voor de verschillende trainingsvormen. Hij adviseert je hoe je de training best aanpakt of bijstuurt om een betere conditie te bereiken of tot betere prestaties te komen.

De lactaattest is een uitstekend hulpmiddel voor zowel de recreant als de competitieve sporter om de training optimaal te laten verlopen, overtraining te vermijden en het maximum uit de eigen mogelijkheden te halen!

Meer info over De theoretische achtergrond van een lactaattest
Interesse? Bekijk onze richtprijzen.